Verdriet

Om kwart voor 12 smijt jongste zijn spullen naar me toe. Zijn zitkussen, bakje van de paprika, gymschoenen en gymkleding. Gevolgd door zijn tas. De tas waar normaal gesproken alle spullen netjes in horen te zitten als hij de school uit komt. Nu niet. Ik begin met het in de tas proppen van zijn spullen als ik naar zijn gezicht kijk. Zijn gezicht is een mengeling van angst, van pijn, van afschuw en van totale onmacht. Hij rent naar zijn fiets, en ik gooi alle spullen op de grond. Jongste crost inmiddels richting fietspad en ik schat mijn kansen in om hem achterna te rennen. Nul. Ik heb nul kans om hem staande te houden. Zijn voorsprong is te groot en er staan te veel mensen tussen ons. Ik draai mijn lichaam, zwiep me aan mijn goede arm onder duikelrek door en ren zigzaggend tussen de kleuters door naar de andere kant van het wachtvak. Daar is een fietspad waar hij hopelijk langs fietst. Als jongste de andere kant op gaat, kan ik wel inpakken, dan haal ik hem nooit meer in. Ouders die op die kant van het plein staan te wachten zien mij aan komen rennen en draaien zich om. Kennen allen jongste. En zien wat ik zie. Hij slaat rechtsaf. De juiste kant richting huis, ik verstop me achter een moeder en als hij langs komt, ren ik het fietspad over (zonder te kijken) en weet jongste staande te houden. Ik hang aan zijn stuur en vraag wat er gebeurd is. Geen antwoord, alleen pure angst. Angst in de ogen van 10 jarige zoon. Als klasgenoten langs beginnen te fietsen, en ik hem nog banger zie worden, geef ik hem mijn huisdeur sleutels en eis dat hij naar huis fietst en niet een rondje om gaat. Hij moet naar huis en ik beloof dat ik zo snel mogelijk achter hem aan kom.

De straat inrijdend kun je alleen maar hopen dat je zijn racefiets in de buxus gesmeten terug vindt, dat houdt namelijk in dat hij in ieder geval thuis is geweest. En ja, daar hangt zijn fiets. Mijn huisdeursleutels liggen bij de voordeur. Handig voor inbrekers. Gastvrij gezin. Zoon heeft zich al helemaal uitgekleed, met uitzondering van onderbroek. Ik zie rare rode striemen op zijn benen, maar schenk daar vreemd genoeg geen aandacht aan. Hang mijn jas op en ga op de grond naast hem zitten, met mijn gezicht van hem af. Vertel dat ik blij ben dat hij naar huis is gegaan en vraag of hij iets wil drinken. Nee, het antwoord is nee. Dan vraag ik of er iets is gebeurd op school. En dan komt er een stortvloed uit mijn anders weinig spraakzame zoon. Over een spel wat gespeeld werd en hoe de situatie opeens escaleerde. Hoe hij door een klasgenoot in elkaar werd geschopt, keer op keer in zijn kruis werd geslagen, hoe hij telkens zei dat de ander moest stoppen, dat andere kinderen zich er mee gingen bemoeien, hoe nog twee kinderen hem in zijn kruis sloegen, hoe hij vastgehouden werd. Hoe een andere klasgenoot vertelde dat als zoon het niet prettig vond, hij dan maar hard terug moest gaan slaan. Hoe mijn zoon terug kaatste dat hij dat niet kan, dat hij niet wil zijn zoals slaande jongen en dat hij gelukkig anders is.

Ik troost zoon en maak foto’s van zijn rode benen. Ik kan geen foto’s maken van zijn kruis, maar geloof me maar. Bel naar school en doe mijn verhaal. Klaar. Voor mij is het klaar. Verhaal ligt nu op school. Energie stop ik in mijn stoere jongen die honger heeft, maar misselijk is. Die zich oprolt in een slaapzak op de stoel en daar uren blijft liggen. Die zijn vader aan de telefoon krijgt en het hele verhaal vertelt, ’s avonds nog een keer aan mijn broer. Ome M: ik ben vandaag in elkaar geschopt op school. Ome M. reageert net als andere volwassenen furieus. Zoon niet, hij blijft verdrietig en geschokt, maar het hele verhaal van wraak en terugschoppen, dat zegt hem niets.

Uiteraard spreekt de leerkracht de kinderen er op aan en uiteraard ontkennen ze in alle toonaarden. Zijn het waarschijnlijk kinderen voor, mijn zoon is er toch niet bij om zijn verhaal te vertellen, dus het is zo ontzettend makkelijk om alles te ontkennen en te bagatelliseren. Ach, we waren een beetje een wild spel aan het doen. Uiteraard. Een wild spel, waarbij je een klasgenoot vasthoudt en anderen op hem in laat slaan. Ach, het is maar een wild spel. Ik ben blij dat het mijn kinderen niet zijn. Mijn zoon was nog het meest verbolgen over het lef wat hoofddader in de klas toonde: ik moest hem helpen met zijn rekenen! Wat dacht hij nu helemaal? Eerst schopt hij me in mijn edele delen, zodat ik nooit meer kinderen kan krijgen en daarna moet ik hem maar helpen met rekenen? En toen durfde hij ook nog ‘nou, ja sorry dan, ga je me dan nu helpen?’ te zeggen! Nooit meer mam! Ik ga hem nooit meer helpen!

Weet u, het zijn kinderen, dan gebeuren er wel eens rare zaken. Helaas durft mijn zoon niet naar de leerkracht te stappen als er op school iets gebeurt, helaas zullen er altijd kinderen zijn die hun agressie op anderen afreageren. Maar dat een volwassene tegen me durft te zeggen: ‘Ach ja, hij gaat ook maar halve dagen naar school. Dan vraag je er toch zelf om dat je geschopt en geslagen wordt? Dan ben je nu eenmaal het mikpunt!’ Dat beste volgers, precies dat zal ik wel helemaal nooit begrijpen. Ik weet alleen dat ik mijn zoon die aangaf dat hij niet terug zal schoppen een stuk liever vind voor deze maatschappij.

DSC_0282

Advertisements
This entry was posted in Autisme. Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

w

Connecting to %s